Geschiedenisrubriek Ik was erbij
Het Regionaal Archief verzorgde tot mei 2009 in samenwerking met het Noordhollands Dagblad een rubriek in de katern Stad & Streek van de Alkmaarsche Courant onder de naam "Ik was erbij". Het was een rubriek die aan de hand van een foto, inging op gebeurtenissen in het nabije verleden. Het archief zocht de foto uit en schreef het verhaal bij de foto.
De krant plaatste iedere dinsdag in het stad- en streekkatern de bijdrage en verwerkte de brieven die naar aanleiding van een artikel binnenkamen. Er was veel belangstelling voor de rubriek.
Momenteel werkt het archief mee aan de canon van Alkmaar, die wekelijks in de krant wordt gepubliceerd en die in november 2009 ook in boekvorm zal verschijnen. Het is de bedoeling dat in 2010 een nieuwe bundel met 'Ik was erbij'-artikelen zal verschijnen en dat de rubriek in de krant dan ook weer terug zal keren.
|
Een eerste bundeling van 41 afleveringen van de serie 'Ik was erbij' is donderdag 28 augustus 2008 gepresenteerd in het Alkmaarse stadhuis. De publicatie blijkt een groot succes. Inmiddels zijn er al vier drukken van het boekje verschenen.
De uitgave van deze bundel is een gezamenlijk initiatief van het Regionaal Archief en het Noordhollands Dagblad. Het boek is verkrijgbaar in de boekhandel en kost €14,95.
Op deze pagina vindt u een aantal artikelen die de afgelopen jaren in de rubriek zijn verschenen. Mocht u alsnog op een van deze bijdragen willen reageren, dan kunt u een mail sturen naar het
Dit e-mail adres is beschermd door spambots, u heeft Javascript nodig om dit onderdeel te kunnen bekijken
.
|
De stormachtige ontwikkeling van een bedrijfstak: Met de bus mee!
De tijd dat er massaal gebruik gemaakt werd van de bus ligt nog niet ver achter ons. Toen nog niet iedereen zich een eigen auto kon veroorloven, waren er ruwweg de volgende vervoersmogelijkheden: fiets, brommer, trein, tram of bus. Met name tussen de beide Wereldoorlogen, maar ook nog in de jaren vijftig en zestig, kozen de Nederlanders massaal voor de bus. De autobus had na de Eerste Wereldoorlog in snel tempo de vervoersmarkt veroverd. Eindelijk was er een alternatief voor het nogal rigide railvervoer. De autobus kon overal komen waar een weg lag en was flexibel qua aankomst- en vertrektijden. En wat ook heel belangrijk was: met weinig kapitaal kon je al een busdienst beginnen.
NACO-bussen op de pas geopende nieuwe Friesebrug (1952). Klik hier voor meer foto's.
In de jaren twintig werden overal in Noord-Holland busbedrijven opgericht, de meeste erg kleinschalig. De eerste bussen waren nog weinig comfortabel. De chauffeur zat vaak nog buiten de eigenlijke bus, net als indertijd de koetsier van een rijtuig. Voor de passagiers waren er houten banken, die in lengterichting tegen de buswanden waren geplaatst. Halteplaatsen bestonden er in de beginperiode eigenlijk niet. Vlaggetjes bij cafés en woningen gaven aan dat er passagiers zaten te wachten.
Concurrentie op leven en dood
De kleine busbedrijven voerden een concurrentiestrijd op leven en dood met de trein, de tram, en vooral met elkaar. Eind jaren twintig ging de overheid noodgedwongen over tot regulering: de busbedrijven moesten vergunningen aanvragen om bepaalde lijnen te mogen exploiteren. Een fusiegolf van de busbedrijven volgde. In Alkmaar en omgeving ontstonden de volgende grote busmaatschappijen: de NV 'Stormvogels' in de regio tussen Haarlem en Alkmaar; de NACO tussen Hoorn, Alkmaar en Amsterdam; ten noordoosten van Alkmaar had je de WACO en ten noordwesten, ruwweg het gebied tussen Alkmaar, Schagen en Medemblik, de HABO. Er was ook nog een aantal kleinere ondernemingen actief: zo verzorgde de NHADO van de familie Schalkwijk het vervoer tussen Bergen en Alkmaar (de bussen vertrokken in Alkmaar vanaf de Bergerhout) en kende de gemeente Alkmaar een stedelijk busbedrijf, dat geëxploiteerd werd door de firma Van Geelen & Van den Berkhof uit Heiloo. Van de grote bedrijven had alleen de in 1932 opgerichte HABO (de Hollandsche Auto Bus Onderneming) het hoofdkantoor in Alkmaar, aan de Stationsweg. In het pand is nu de firma Otomax gevestigd.
De Tweede Wereldoorlog was een moeilijke tijd voor de busbedrijven. De busdiensten werden van overheidswege sterk ingeperkt en als brandstof moest men zich zien te redden met gasgeneratoren op hout, turf en antraciet. In 1944 werd tegelijk met de Spoorwegstaking ook alle busvervoer stilgelegd. Tijdens de oorlogsjaren zag de NS, die aanvankelijk het autobusvervoer links had laten liggen, zijn kans schoon om het ene busbedrijf na het andere over te nemen. Ook alle grote busondernemingen in Alkmaar en omgeving kwamen in handen van de NS, die ze na de oorlog samenvoegde tot één groot bedrijf voor Noord-Holland boven het Noordzeekanaal onder de oude naam NACO. Ook de Alkmaarse stadsdiensten werden nu door NACO-bussen verzorgd. De NACO verhuisde in 1946 de centrale werkplaats en in 1951 ook het hoofdkantoor van Purmerend naar Alkmaar, naar een terrein aan de Helderseweg, tegenwoordig de Connexion-garage.
In 1971 nam de NACO de NHADO (de 'Berger bus') over, die tot dan toe zelfstandig had weten te blijven. De NACO fuseerde vervolgens met de NZH, waarmee er een ware vervoersgigant ontstond, de opmaat voor het huidige landelijke Connexion.
Een gemoedelijke tijd
Een paar jaar geleden verscheen er een leuk boekje van Piet Mooij en John Schotten over de NHADO, met prachtige verhalen erin van chauffeurs over het busbedrijf in de jaren vijftig en zestig. Het ging er gemoedelijk aan toe. Chauffeur Wim Wittebrood vertelt over een perkje dennenhout dat hij ooit had gekocht van Staatsbosbeheer. Hij had geen paard en wagen om het hout te vervoeren, maar de bus bracht uitkomst. Na het einde van zijn dienst reed hij met de bus het duin in met alleen de koplampen aan, zodat het niet teveel zou opvallen. De zware stammen pasten mooi in het gangpad! Chauffeur Piet Mooij verhaalt hoe hij rond 1955 de vaste passagiers op het traject Groet-Alkmaar vice versa 's ochtends op tijd in de bus wist te krijgen. Hij wekte de klanten op de heenreis door voor hun huis te claxonneren. Als het slaapkamerlicht een paar keer aan en uit ging wist Piet: die is wakker. Op de terugreis naar Alkmaar kon hij zijn passagiers dan reisklaar meenemen.
Albums met busfoto's: link naar pagina met nog meer foto's
De aanleiding voor dit stukje was de schenking van een aantal albums met foto's en andere gegevens van de oude busmaatschappijen in Alkmaar en wijde omgeving die het Regionaal Archief onlangs ontving van de heer H. Rijswijk te Oudkarspel. Enkele van deze foto's zijn bij dit stukje afgedrukt. Meer foto's kunt u bekijken via deze link: hier klikken.
Fijnwas- en strijkinrichting Vredenburg aan het Luttik Oudorp: vierduizend boordjes per week
Midden jaren vijftig was het nog heel gewoon om de was en zeker de fijne was, buiten de deur te laten doen. Je bracht het naar een van de vele wasserijen die Alkmaar in die tijd rijk was, bijvoorbeeld fijnwasserij Vredenburg aan het Luttik Oudorp. Van dit bedrijf is een klein archief bewaard gebleven, dat onlangs is geschonken aan het Regionaal Archief. Het bevat prachtige bedrijfsfoto’s uit de jaren vijftig (klik hier om de foto's te bekijken).
|
Wasserij Cor Vredenburg aan het Luttik Oudorp, ca. 1960. Op de foto van links naar rechts: Cor Vredenburg, Joop Vredenburg, H. de Leeuw, A. Souverein en Arie Vredenburg |
Een daadkrachtige vrouw
Voor de familie Vredenburg was het wassen aanvankelijk een nevenactiviteit. De uit Zaandam afkomstige kastelein Johannes J. Vredenburg kocht in 1904 tapperij en slijterij ‘Het Tontelhuis’ op de hoek van de Korte Sint Jacobstraat en het Luttik Oudorp. Behalve kastelein oefende hij ook het beroep van schoenmaker uit. Toch was het geen vetpot in huize Vredenburg en daarom ging echtgenote Anna, om het gezinsinkomen aan te vullen, de was doen voor familie en buren. Ze deed haar werk zo goed dat al snel de taakverdeling binnen het huishouden werd omgedraaid: Johannes ging Anna helpen bij haar activiteiten. Met een mand op het onderstel van een kinderwagen trok hij er op uit om ladingen witte boordjes en ander wasgoed op te halen, die hij vervolgens gewassen en gesteven weer bij de klanten thuis afleverde. De zaken gingen zo goed dat het echtpaar in 1912 het café verkocht en in de Sint Annastraat een was- en strijkinrichting opende. Het nieuwe bedrijf floreerde.
Cor Vredenburg begint een eigen bedrijf
In de jaren dertig diende een nieuwe generatie Vredenburg zich aan. Zoon Cor, in 1927 gehuwd met de flinke dochter van een Helderse zeeman, was de beoogde opvolger. Maar hij was liever eigen baas: in 1938 begon hij een eigen wasserij in een voormalig kaaspakhuis in de Doelenstraat. In de Sint Annastraat bleven familieleden tot in de jaren zestig het ouderlijk bedrijf voortzetten.
Het ging Cor voor de wind. Na de oorlog besloot hij zich te specialiseren in de behandeling van het fijnere wasgoed. In 1955 verhuisde hij van de Doelenstraat naar een groter pand aan het Luttik Oudorp (op nr. 60). In een brochure die hij eind jaren vijftig uitbracht, noemt hij zijn bedrijf ‘de bekende fijnwas- en strijkinrichting in het hartje van Noord-Holland’.
Het waren hoogtijdagen voor de wasserij. Ladingen overhemden, boorden, smokinghemden, halve hemden, kelnersgoed, vitrages, kanten kleedjes, gingen dagelijks in en uit. Weken waarin drieduizend overhemden en meer dan vierduizend boorden werden gewassen en gesteven waren geen uitzondering. Het personeelsbestand groeide mee en kwam uit op rond de tien personen. Uiteraard werkten ook de zes kinderen van Cor mee in het bedrijf. Met vier man trok men er dagelijks met de bakfiets op uit om de was te halen en te brengen.
Tegenwind
De snelle toename van het wasmachinegebruik en de komst van modern kreukvrij textiel vormde vanaf de jaren zestig een grote bedreiging voor de bedrijfstak. De Alkmaarse wasserijen probeerden met een voorlichtingsbrochure onder de titel ‘Wijs met de was’ het tij te keren. In de brochure wordt gestreden tegen vooroordelen als zouden de wasserijen vaak ingeleverde kleding zoekmaken of beschadigen. Blijkbaar waren dit kwesties die toen speelden. Ook vond men het nodig om te benadrukken dat het werken in een wasserij niet vies en zwaar was. Nee, dankzij de inzet van vele ‘glanzende machines’ was het werken in de wasserij nu ‘fris en gezellig’, kortom: ‘modern’. Om de opmars van de wasmachine te stoppen bracht de brochure zwaar geschut in stelling: onderzoek van TNO had aangetoond dat er nergens schoner en witter werd gewassen dan in de wasserijen. Het mocht allemaal niet baten, de omzetten liepen terug.
De firma Vredenburg, inmiddels overgenomen door de zoons Arie en Joop, gooide het roer drastisch om. In 1967 werd een deel van het bedrijf omgebouwd tot een ‘was-zelf-salon’ ofwel wasserette. Het bleek een schot in de roos: in de zomermaanden maakten toeristen, die met hun bootje in het Luttik Oudorp lagen, druk gebruik van de nieuwe voorziening. Gelukkig bleef er ook nog voldoende werk in de fijne was. In afgeslankte vorm gingen de broers Arie en Joop door met het bedrijf. Toch kwam er in 1997 een eind aan het bedrijf, dat de laatste jaren door Joop en diens vrouw Lia werd geleid. Uiteindelijk werd het bedrijf niet beëindigd vanwege gebrek aan werk, maar simpel vanwege het ontbreken van een bedrijfsopvolger. Tja, die ene oude meneer in Dinxperlo, die speciaal bij Vredenburg zijn boordje liet stijven, moest op zoek naar een ander adres. ‘Ach, het zal zijn weggetje wel vinden’ zei Lia, ‘ik moet zelf nu ook gaan wassen met een wasmachientje’.
Verkeersonderwijs in Alkmaar: Trapauto’s op het Canadaplein
Het is najaar 1963. Wandelaars op het Canadaplein kijken verbaasd om zich heen. Op het plein is met witte verf een parcours uitgezet, waarlangs allerlei verkeersborden staan. Voortdurend rijden er kinderen rond in miniatuurauto’s (met trapaandrijving) en op kleine fietsjes. Nauwlettend houden ze de verkeersborden in de gaten. Wat de wandelaars zien is een intiatief van het ‘Verbond voor Veilig Verkeer’. Negen weken lang doet de Alkmaarse schooljeugd ervaring op met verkeersregels. De gemeente heeft het Canadaplein welwillend ter beschikking gesteld.
Deze oefening in de praktijk is een aanvulling op het verkeersonderwijs, dat al sinds de jaren twintig van de vorige eeuw op het programma van het basisonderwijs staat. Want al snel na de introductie van de auto in Nederland maakt men kennis met de nadelen van dit vervoermiddel. Op dat moment spelen luchtvervuiling, zure regen en klimaatverandering nog geen rol, maar het groeiend aantal verkeersdoden baart wel zorgen. Verenigingen voor Veilig Verkeer ijveren dan ook al snel voor meer regels en veiligheid. Het verkeersonderwijs en het verkeersexamen kunnen we zien als een van de resultaten van dit werk.
Het verkeersonderwijs begint in de grotere plaatsen, waar het verkeer het drukst is en dus de meeste ongelukken gebeuren. Eerst is er alleen een praktisch examen, het fietsexamen. Met een klein groepje rijden de scholieren een route door de stad, terwijl een motoragent met een examinator in de zijspan ze volgt. Als de kinderen zich aan de verkeersregels houden, goed uitkijken en netjes hun hand uitsteken, slagen ze voor het verkeersexamen. Een mooi diploma en dito speldje is de beloning. Later volgt naast het praktische deel een schriftelijk examen.
Verkeerstuin in Schoorl
Na de oorlog zien we ook een opkomst van verkeersparken of verkeerstuinen. Op afgesloten terreinen wordt een stratenparcours aangelegd, en met trapauto’s, fietsen en als voetganger kunnen de kinderen de verkeersregels in de praktijk brengen. Aan de Heereweg in Schoorl, waar tegenwoordig hotel Jan van Scorel staat, verrijst een verkeerstuin (wie heeft daar nog foto’s van?), die behalve bij de ‘badgasten’ ook een grote bekendheid verwerft onder de jeugd in de regio. Ook elders in Nederland worden dergelijke parcours ingericht. Vooral het Verkeerspark in Assen krijgt landelijke bekendheid.
Maar voor de scholieren die niet in de buurt van een verkeerspark wonen is ook wat verzonnen. Oliegigant Shell financiert begin jaren zestig vijf trucks-met-oplegger, elk gevuld met zes fietsjes, vijf trapauto’s en 45 verkeersborden. Deze wagens rijden door heel Nederland en strijken telkens voor enkele weken neer in plaatsen in de regio. Zo ook in Alkmaar in 1963. De Alkmaarse truck heeft daarvoor enige weken in Heerhugowaard gestaan.
Met het materiaal worden door het ‘Verbond voor Veilig Verkeer’ ook twee instructeurs meegeleverd, die de vijfde- en zesdeklassers onderwijzen in het verkeer. De mannen verblijven tijdens hun verblijf in Alkmaar het grootste deel van de tijd in de truck, die voorzien is van een ijskast en kookgelegenheid.
Parcours Canadaplein
Op het Canadaplein is met wegenverf een compleet stratencircuit uitgezet. De jongens en meisjes rijden het parcours eerst in een wagentje en dan op een fietsje. Iedereen krijgt twee lessen, van één tot anderhalf uur. Tijdens de eerste les staan er nog geen verkeersborden, maar bij de tweede les wordt het al een stuk moeilijker. De verkeersborden, afgewisseld met stoplichten en zebrapaden, maken het de leerlingen niet makkelijk om foutloos het parcours af te leggen.
De leerlingen van de vijfde klas van de Tesselschadeschool bijten de spits af, op die herfstige morgen in 1963. Onder leiding van hun onderwijzeres, mevrouw A.W. Winkler-Koest, rijden zij de eerste rondjes over het hobbelige plaveisel. Nog 26 andere scholen volgen dat najaar de praktische lessen van de mobiele verkeersschool.
Wie de foto’s bekijkt van deze gebeurtenis, ziet dat de kinderen met veel plezier de opdrachten uitvoeren. Ingespannen sturen ze de auto’s, en leggen hier de basis voor hun latere carrière als automobilist. Wellicht herkent u een van deze kinderen, of heeft u zelf ook meegedaan. Laat ons dat dan weten.
|

Foto 1
| <><><><><><><><><><><><>< mce_serialized="13t5uhmqf"><><> >

Foto 2
|
|
|
| |
|
|
|
|
|
|
|
|
|
|
Bijschrift foto 1:
Hoofd Jeugdzaken van de gemeente Alkmaar, Nico Speur (3e van links), en brandweercommandant Jan van Maarleveld als bestuurslid van "Veilig Verkeer" (4e van links), houden samen met een politieagent toezicht over de eerste groep ‘automobilisten’. Op de achtergrond staat de truck met oplegger van de Shell Jeugd Verkeersschool.
Bijschrift foto 2:
Juf (Winkler-Koest?) en leerlingen beoordelen de stuurmanskunsten van een klasgenoot die voorzichtig de bocht indraait.
De Alkmaarse Tesselschadeschool: in de banken bij de juffen Blom en Holle
'Juf Blom die kon zo mooi voorlezen! Ik herinner me ook juf Holle met haar pop Ida. Ze viel wel eens in slaap tijdens de les. En dan was er nog juf Bennink, die had een krakend corset’. Dit zijn enkele van de vele herinneringen die Alkmaarders bewaren aan onderwijzers van de Tesselschadeschool aan de Oudegracht en later aan de Hofdijkstraat.
De zesde klas van de Tesselschadeschool in 1939
Standen en klassen
De Tesselschadeschool kwam voort uit de Burgerschool. Begin 20e eeuw was het openbaar onderwijs ingedeeld naar stand en klasse. Het gewone volk ging naar een van de ‘armenscholen’ waar je gratis onderwijs kreeg. Als de ouders iets meer geld en ambitie hadden, kwam het kind op een van de ‘tussenscholen’, waar een beetje schoolgeld werd gevraagd. De maatschappelijke elite stuurde zijn kinderen naar de Burgerschool op de hoek Laat-Brillesteeg of naar de meisjesschool aan de Oudegracht. De leerlingen van deze scholen werden opgeleid om door te stromen naar het middelbaar en hoger onderwijs. De school aan de Oudegracht werd in de wandeling ‘Pruimenschool’ genoemd naar mej. J.H. Pruim, die eind 19e eeuw schoolhoofd was. Op dezelfde manier werd de Burgerschool vaak aangeduid als ‘Aukesschool’, naar F.J. Aukes die van 1893 tot 1922 de school leidde.
De onderwijswet van 1920 introduceerde de eenheidsschool en schreef een uniform lesprogramma voor. In 1922 werd het Alkmaarse onderwijs aangepast aan de wettelijke voorschriften. Toch bleef men in Alkmaar verschil maken tussen gewone scholen en ‘opleidingsscholen’ die de kinderen voorbereidden op middelbaar onderwijs. De oude Burgerschool werd een opleidingsschool onder de naam ‘Gemeenteschool nr. 1’. Ook de andere gemeentelijke lagere scholen hadden allemaal een nummer. Omdat deze manier van naamgeving niet erg tot de verbeelding sprak, werden in 1932 namen ingevoerd. De Rochdale- en de Vondelschool bestonden toen al. Nu werden ook de overige scholen van namen voorzien. Men koos voor namen van schrijvers. De Eerste Gemeenteschool werd omgedoopt tot Tesselschadeschool, andere scholen kregen namen als Hofdijkschool, Nicolaas Beetsschool en Bosboom Toussaintschool.
Verhuizingen
In 1936 werd de Tesselschadeschool verplaatst van de Laat naar de Oudegracht. Het oude schoolgebouw was veel te klein geworden, onder meer omdat men vanwege de crisistijd de klassen groter had gemaakt. De school verhuisde naar een ander oud schoolgebouw aan de Oudegracht, helemaal ingeklemd tussen de omringende bebouwing. De school was alleen via smalle steegjes bereikbaar vanaf de Laat en de Oudegracht. De verhuizing was bedoeld als een tijdelijke voorziening, maar zou duren tot 1959. Pas in dat jaar kreeg de Tesselschadeschool een geheel nieuw onderkomen aan de Hofdijkstraat. Het oude schoolgebouw aan de Oudegracht werd in 1980 gekraakt en fungeerde sindsdien als kunstenaarsatelier. Het is uiteindelijk in 2004 gesloopt. Met de Tesselschadeschool ging het verder uitstekend. Na samenvoeging met een kleuterschool werd het in 1986 een basisschool. In 1995 vond een scholenfusie plaats, waarbij de naam werd gewijzigd in De Kennemerpoort. De school aan de Hofdijkstraat bleef de hoofdvestiging.
Juf Blom en juf Holle
Voor het schoolgaande kind was de juf of meester een vast baken in de schooldag. Vroeger, toen het onderwijs overal klassikaal werd gegeven, gold dat meer dan nu. Ademloos luisterden de kinderen als juf of meester ging voorlezen. We begonnen het stukje al met een paar herinneringen aan het onderwijzend personeel van de Tesselschadeschool. Opvallende persoonlijkheden waren de juffen Blom en Holle. C.M. (Toos) Blom stond ruim 46 jaar voor de klas. Vanaf 1922 tot haar pensioen in 1961 was haar werkplek op de Tesselschadeschool. Ze kon prachtig voorlezen en was actief met allerlei onderwijsvernieuwingen. Naast haar werk als onderwijzeres schreef ze onder de naam Toos Blom jeugdboeken. Haar boeken schreef ze thuis of tussen de middag in de lunchroom van de Alkmaarse V&D. In 1966 won ze samen met Mies Bouhuys de prijs voor het beste jeugdboek van het jaar. Bekroond werd haar boek Loeloedji, kleine rode bloem over een zigeunermeisje. Haar eerste jeugdboek, Chrisje’s eerste schooljaar, dat in 1946 uitkwam, had een arm Alkmaars meisje als hoofdpersoon. Bekend werd ook haar boek In en om de vuurtoren dat zich in het Egmond aan Zee van rond 1900 afspeelt. Toos putte in dit boek uit haar eigen jeugdherinneringen.
Een andere bekende juf was A.M. Holle. Ook zij bracht haar hele leven door voor de klas. In 1957 werd ze gehuldigd omdat ze 40 jaar verbonden was aan de Tesselschadeschool. Burgemeester Wytema becijferde toen dat er ongeveer 1600 Alkmaarse kinderen les van haar hadden gehad. Ze stond bekend om haar liefde voor kinderen, die ze met bijna moederlijke zorg omringde.
Kinderen snel afgeleid
In 1964 ging C. van der Beldt, het toenmalig schoolhoofd met pensioen. In een interview ter gelegenheid van zijn afscheid deed hij uitspraken over de schooljeugd die ons heel modern in de oren klinken: ‘De kinderen waren vroeger veel rustiger, ze concentreerden zich beter op hun lessen. Maar nu is er radio en tv en noem maar op. Overal worden ze afgeleid. Dat heeft een enorme onrust gebracht. Waarschijnlijk zullen wij de leerlingen meer dingen zelf moeten laten doen, omdat ze veel minder aandachtig kunnen luisteren’. Blijkbaar is bezorgdheid over het onderwijsklimaat van alle tijden.
Het Regionaal Archief is erg benieuwd naar uw ervaringen op de Tesselschadeschool. Ook klassenfoto’s zijn welkom! Ingeleverde klassenfoto's zijn hier te zien: klassenfoto's.
Puddingfabriek Victrix: Speldjesrage leidde bijna tot faillissement

Werkneemsters van puddingfabriek Victrix in de jaren vijftig
Het verhaal start in 1925, toen B.G. Godijn een pand aan de Koningsweg 23 huurde, om daar met zijn compagnon A. Heynis een kleine puddingfabriek op te zetten. Heynis mengde de ingrediënten in een wasteil, en schepte vervolgens met een eetlepel de pakjes vol. Godijn trok er als ‘directeur-assistentpuddingmaker-boekhouder-vertegenwoordiger’ op uit, om de winkeliers in Alkmaar en omgeving ervan te overtuigen de pudding in hun assortiment op te nemen. Al gauw moest een groter pand worden betrokken en werd de wasteil vervangen door de eerste halfautomatische vulmachine. De zaken breidden zich uit en enkele jaren voor de Tweede Wereldoorlog werd de voormalige chocoladefabriek van Ero en Rem op de hoek Kanaalkade/Paternosterstraat gekocht. Nu vinden we op deze plaats de Rabobank.
Witte wereld
In de tijd van wederopbouw na de oorlog groeide het bedrijf flink. Wie de fabriek in die tijd binnenstapte waande zich in een ‘witte wereld’. Het fijne meelstof verspreidde zich door het hele gebouw. In deze krant verscheen in 1960 een sfeerimpressie van een dag op de fabriek, met de ‘meisjes’ die daar werkten in een hoofdrol. Meisjes die vanwege het stof gekleed gingen in stofjassen, hoofddoekjes en witte stofkapjes. Praten ging blijkbaar niet, want alleen Elvis Presley was in staat de machine te overschreeuwen. ‘De meisjes in de fabriek neuriën mee. Duizenden zakjes vanillesuiker suizen over een glijbaan in een kartonnen doos. Een schier eindeloze colonne doosjes custardpoeder trekt als een militaire parade voorbij. Er hangt een zoete weeïge lucht in de hal.’
Op de eerste etage stonden de mengketels. Vandaar voerde een weg naar de vul- en pakmachines, die elk dagelijks 30.000 pakjes vulden. ‘De meisjes laten ze door hun handen gaan. Dag in dag uit, uur na uur. Ze doen hun werk zwijgend en automatisch. De radio is hun enige verzetje, de herinnering aan de wereld buiten de fabriek. ’s Avonds vallen hun handen stil. De meisjes willen lopen, praten. De straat is dan het vertier, de ontspanning. Daar kun je gieren, hard weghollen, leunen tegen een pui, wandelen in het park, omhelzen zoals de filmsterren doen. Weg van het stof, het gedreun van de machines, de opgestapelde dozen.’
Meeverpakt speelgoed
Halverwege de jaren zestig werkten er ongeveer 60 mensen en het assortiment telde bijna 100 verschillende producten in diverse smaken, zoals vruchtengries, amandelgries, cakemeel, maïzena, vanillesuiker, bitterkoekjespudding, ananaspudding en later ook de instantpudding, die koud bereid kon worden. Er waren zes vulmachines voor de pakjes pudding, een voor de custard en een voor zakjes vanillesuiker. Veel kinderen uit die tijd zullen zich nog wel de pakjes Victrix herinneren. Was het niet vanwege de pudding, dan toch wel vanwege de speelgoedjes die in de pakjes meeverpakt zaten, zoals autootjes, lepeltjes en plastic diertjes.
Victrix was bekend door het hele land en het bedrijf had ook een flinke export naar Zuid-Afrika, Australië en Canada. Dat had vooral te maken met de vele emigranten die na de oorlog naar deze landen waren getrokken.
Bijna failliet door speldjesrage
Naast het fabriekspand had men ook nog een kantoorpand aan de Heldersekade en enkele kleinere opslagplaatsen in de stad in gebruik. Dit werd wel erg onhandig, en in 1965, bij het 40-jarig bestaan, zou een nieuw pand worden geopend in Alkmaar-Oost, hoek Herculesstraat/Phoenixstraat. Maar nog voor die tijd begon de tegenslag. Eind 1964 overleed directeur/oprichter Godijn. Zijn zoon, J.F. Godijn, vormde toen al enige tijd met B. Min de directie. Vrij snel na de verhuizing, in de herfst van 1966, werd voor Victrix surseance van betaling aangevraagd. Tegenvallende kosten voor de nieuwbouw en de gestegen grondstoffenprijzen waren de voornaamste oorzaak. Daarnaast werd het reclamebeleid volkomen doorkruist door de op dat moment losgebarsten speldjesrage. Victrix had een groot bedrag geïnvesteerd in een nieuw cadeaustelsel, maar de klant wilde speldjes. De verkoop van Victrix-produkten liep hierdoor sterk terug en de enorme voorraad cadeaus bleef opgeslagen in de magazijnen. De oplossing werd gezocht in schaalvergroting, en korte tijd later werd de fabriek overgenomen door een Belgisch concern. In 1971 vertrok de fabriek uit Alkmaar. Van de 60 personeelsleden waren er toen nog 35 over. De ongunstige ligging in dit deel van het land en het te geringe aanbod van vrouwelijke arbeidskrachten was de officiële reden voor het vertrek. De speldjesrage, die mede de ondergang inluidde voor de fabriek, heeft er echter ook voor gezorgd dat de naam Victrix nog voortleeft. Want opvallend is dat wie nu, bijna 40 jaar na dato, de naam ‘Victrix’ en ‘pudding’ intikt in Google, de puddingfabriek nog steeds tegenkomt. En wel in de vorm van�� speldjes! Blijkbaar heeft Victrix alsnog geprobeerd mee te liften met de speldjesrage. En daar wordt nog steeds in gehandeld. Een mooie speling van het lot.
Foto’s
Het Regionaal Archief Alkmaar kwam korte tijd geleden in het bezit van een mooie serie foto’s van de hand van J.F. Godijn, gemaakt in de puddingfabriek in de jaren vijftig. Op deze foto's zijn veel werknemers uit die tijd te zien. Als u ze herkent, laat het ons dan weten! Klik hier voor de foto’s.
De jongen die beroemd wilde worden: Rudi Carrell
Op woensdag 19 december 1934 meldde de 22-jarige Andries Kesselaar zich bij het loket van de Burgerlijke Stand van de gemeente Alkmaar voor de aangifte van zijn zojuist geboren zoon: Rudolf Wijbrand Kesselaar. Rudi was het eerste kind van Andries Kesselaar en Catharina Houtkooper. Op het moment van zijn geboorte woonde de familie in bij Hendrik Koster aan de Spoorstraat 35 te Alkmaar. Kort hierop verhuisde het gezin naar de Bergerweg 44 waar Rudi zijn jeugd doorbracht en de andere kinderen Truus, Andreas en Adrie werden geboren.
Rudi en zijn zus Truus in de schoolbanken
De jonge Kesselaar groeide op in een milieu van toneelliefhebbers en kleinkunstenaars. Zijn vader Andries Kesselaar werkte als verzekeringsagent en stond een paar avonden per week op de bühne. Hij trad op onder de artiestennaam André Carrell. Met zijn oudere broers, Jan/Jean, Klaas/George en Piet/Pierre vormde hij het gezelschap "De vier K’s". Van de broers was André Carrell de meest getalenteerde Kesselaar. Hij was goochelaar, tekstschrijver, conferencier, zanger en showmaster. Als de theaterfiguur Willem Wouters van Wognum trok hij volle zalen. Landelijk kreeg hij bekendheid door zijn optredens in het radioprogramma de Bonte Dinsdagavondtrein.
In de door de oorlog getekende jaren veertig doorliep Rudi de openbare lagere Nicolaas Beetsschool aan de Snaarmanslaan en bezocht hij de eerste twee klassen van de Krelage ULO (thans Bram Daalder MAVO) aan de Krelagestraat. Een studiebol was de oudste Kesselaar niet. Het enige wat hem echt trok was het Krelageschoolcabaret. Hier ontpopte de 14-jarige zich als de grote animator van de feestavonden van de leerlingenvereniging Emagosas. Hij schreef en speelde shows en presenteerde zich als conferencier.
In 1949 voerde de schoolvereniging het toneelstuk De Witte Vrouw op in ’t Gulden Vlies. Rudi Kesselaar speelde hierin het dienstmeisje Kaatje. Zijn spel werd door de toneelcriticus van de Alkmaarsche Courant zeer geroemd. Ook andere uitvoeringen waarbij hij en zijn zusje Truus waren betrokken werden jubelend ontvangen: hier waren beroepskrachten aan het werk. Met deze optredens was de toon gezet. Het artiestenbestaan lonkte. Deze telg van kleinkunstenaars beschikte over artistieke en organisatorische kwaliteiten, hij was gedreven en had een niet alledaags doel: hij wilde echt beroemd worden.
Na enige omzwervingen, een bezoek aan Parijs en een sollicitatie bij de plaatselijke krant, beleefde Rudi Kesselaar in oktober 1953 zijn podiumdebuut. Hij trad op als vervanger voor zijn vader op de personeelsavond van 1200 gemeenteambtenaren in theater Musis Sacrum te Arnhem. Na deze slag om Arnhem ging het hard. Rudi Kesselaar werd Rudi Carrell, hij werd voor radioprogramma’s gevraagd, hij trad op als Krantenjongen in de Bonte Dinsdagavondtrein waarbij hij op woordspelige wijze de actualiteit besprak, hij presenteerde het jongerenprogramma Tip Top Taptoe, trouwde met Truus de Vries uit Sint Pancras, verhuisde naar het artiestenoord Loosdrecht, kreeg twee dochters Annemieke en Caroline en werkte aan een onstuimige carrière. Zijn optreden met de cabaretgroep "Schermutselingen" met Eric Herfst, Jasperina de Jong, Fiet Koster en Ben Rowold bracht nog geen roem, maar een nationale doorbraak volgde toen Rudi Carrell winnaar werd van het Nationaal Songfestival met het liedje Wat een geluk (dat ik een stukje van de wereld ben). Hij vertegenwoordigde Nederland op het Eurovisie Songfestival, eindigde roemloos op de voorlaatste plaats, maar zijn naam was gevestigd. In 1960 startte hij zijn Rudi Carrell Show met het komische duo De Mounties. De shows van Carrell worden gerekend tot de hoogtepunten van de Nederlandse televisiegeschiedenis. De Robinson Crusoë Show op 5 mei 1964 met de verleidelijke Israëlische zangeres Esther Ofarim als zeemeermin staat elke puber van toen nog op het netvlies gegrift. Maar dit was allemaal nog maar een begin. Een Duitse carrière volgde, half Europa keek naar zijn shows en Rudi Carrell maakte zijn jongensdroom waar.
In zijn autobiografie M’n fiets terug schrijft Carrell dat zijn familie van oorsprong uit Silezië komt. Aan het einde van de 18e eeuw streek de familie Kessler/Kesselaar in Hoorn neer. De overgrootouders van Carrell trokken omstreeks 1872 van Hoorn naar Alkmaar. Daar stichtten de grootouders van Rudi Carrell - Johannes Jacobus Kesselaar en Geertruida Brouwer � een groot gezin van 13 kinderen waarvan een zestal jong zou sterven.
Nu wil het geval dat Huitje Kesselaar, de oudste zuster van zijn vader, in de periode van de Eerste Wereldoorlog te Alkmaar of Bergen de Duitse kleermaker Johann Marx leerde kennen. Marx verbleef als Duitse deserteur in het Deserteurskamp te Bergen. Uit hun verbintenis werd op 11 januari 1918 Pieter geboren. Op 30 november 1918 vertrok Johann Marx met Huitje Kesselaar en kind naar Bonn in Duitsland. Daar werd op 14 maart 1919 een tweede zoon geboren: Karl Marx. Misschien dat de naamgeving werd ingegeven door de revolutionaire omstandigheden in Duitsland, maar een aardige bijkomstigheid was wel dat Rudi Carrell later kon prijken met een volle neef van naam: Karl Marx.
Ruilverkaveling verandert aanblik Geestmerambacht
De afgelopen veertig jaar is de aanblik van het Geestmerambacht enorm veranderd. Vanaf het einde van de jaren zestig heeft hier een grootschalige ruilverkaveling plaatsgevonden.
Broek op Langedijk gezien vanuit de lucht (foto: Aviodrome, Lelystad)
Van oudsher werd dit gebied gekenmerkt door het vele water en ongeveer 15.000 eilandjes. Op deze eilandjes werd voornamelijk kool en aardappelen geteeld.
In een lange periode die voorafging aan de ruilverkaveling waren de sloten tussen de eilandjes steeds breder geworden. Het slijk was gebruikt om de akkers kunstmatig op te hogen en diende verder ook als mest voor de arme grond. Maar met het uitbaggeren van de sloten werden de eilandjes smaller en de sloten breder. Door vererving was het landbezit van de tuinders vaak verspreid over een aantal eilanden (gemiddeld 7) die soms ver uit elkaar konden liggen. De bewerking van het land werd bemoeilijkt door de bereikbaarheid. Alle materiaal en mensen moesten met boten worden vervoerd waardoor veel tijd verloren ging.
De Langedijk, met daarop de Dorpsstraat was een van de weinige doorgaande wegen. Parallel aan de Dorpsstraat liep ten oosten de Achterburggracht en ten westen de Voorburggracht. Deze doorgaande sloten dienden niet alleen als vaarroute maar vormden ook de (open) riolen. Ook de plaatselijke zuurkoolfabrieken en conservenfabriek loosden het afvalwater op deze sloten. De toestand van het oppervlaktewater in de polder was zeer slecht en de stank in vele delen van de Langedijk vaak ondragelijk.
De opbrengsten van de tuinders werden in de naoorlogse jaren steeds minder en veel tuinders zagen zich gedwongen om naast hun tuinderij ook ander werk te zoeken. Velen gingen vanaf de jaren vijftig aan de slag bij de Staalgigant Hoogovens. In deze jaren werd steeds duidelijker dat grote verandering noodzakelijk waren. De plaatselijke politiek en belangenverenigingen hebben lang aangedrongen op een grootschalige ruilverkaveling en herinrichting van het gebied. Door de hoge kosten werd pas in 1962 en 1964 door het Rijk en de Provincie ingestemd met de plannen. Op 23 december 1964 kon de verkaveling aan de grondeigenaren worden voorgelegd: 97% stemde voor.
In de periode van 1968 tot 1974 zijn de werkzaamheden uitgevoerd en werd het grootste gedeelte van het gebied herverkaveld. Kleine tuinderijen maakten plaats voor grootschalige landbouw. Nieuwe wegen (Alkmaar-Schagen en Koedijk-Oudkarspel) werden aangelegd om het gebied te ontsluiten. Een deel van de herverkavelde grond zou bestemd worden voor woningbouw waarmee de gemeente Alkmaar en omliggende gemeenten zouden kunnen uitbreiden. Ter verbetering van de waterhuishouding werd een afvalwaterzuivering en riolering aangelegd. Rondom de centrale zandwinningput die het benodigde zand leverde voor het dempen van de vele sloten en vaarten werd een recreatiepark ingericht, het Geestmerambacht.
Alleen in het zuidoostelijk gedeelte van het Geestmerambacht, het Oosterdel, is een stuk bewaard gebleven van het oorspronkelijke landschap. Ook de Achterbruggracht is voor een groot gedeelte intact gebleven. De laatste jaren probeert de gemeente Langedijk de doorvaarbaarheid van de gemeente te bevorderen en de traditionele band van Langedijk met het water te onderstrepen.
De dag dat Harm Ottenbros kampioen werd
Op zondag 10 augustus 1969 werd de traditionele amateur-wielerronde van Alkmaar verreden. Honderden toeschouwers omzoomden het parcours over de hobbelige klinkers van de Jan van Scorelkade. Onder een strakblauwe lucht ging het peloton in gesloten gelid van start. Alle ogen waren gericht op de eerste schermutselingen tussen de regionale cyclisten. Maar naarmate de koers op gang kwam verslapte de aandacht voor de plaatselijke omloop. Op hetzelfde moment werd namelijk op het autocircuit van Zolder in België het wereldkampioenschap wielrennen verreden. De speaker van de Ronde van Alkmaar deed af en toe verslag van het koersverloop. Het laatste spectaculaire nieuws luidde dat zich twee renners uit de kopgroep hadden losgemaakt: de Belg Julien Stevens en de Nederlander Harm Ottenbros.
Wereldkampioen Harm Ottenbros
Harm Ottenbros behoefde onder de aanwezige toeschouwers geen introductie. Hij was op 27 juni 1943 te Alkmaar geboren als de jongste zoon van de stukadoor Jan Ottenbros die in zijn glorietijd als amateur-wielrenner een behoorlijke erelijst bijeen had gefietst. Harms oudere broer, Jan Ottenbros, fietste net als de andere familieleden ook bij wielervereniging Alcmaria Victrix. Als aspirant, nieuweling en amateur was Harm zeer succesvol. Hij had al vele overwinningen op zijn palmares toen hij in 1967 zijn werk als stoffeerder bij de firma De Munk uit de Snaarmanslaan vaarwel zei, naar Hoogerheide verhuisde en toetrad tot de profploeg van Willem II-Gazelle. Zo kreeg Ottenbros ook internationaal naam als een intelligente, slimme coureur die rap was in de eindsprint.
De Ronde van Alkmaar leek even niet meer te bestaan. De wedstrijd in Zolder naderde het einde. Het publiek hing aan de lippen van radioverslaggever Theo Koomen wiens overslaande stem door de transistors schalde. Met de finish in zicht lagen de twee vluchters nog steeds op kop. Tweehonderd meter voor de meet begonnen zij een sprint-a-deux. Ottenbros dwong Stevens de sprint aan te gaan. Theo Koomen schreeuwde Ottenbros bij wijze van spreken naast en over Stevens waarna Ottenbros vijftien centimeter eerder over de meet kwam dan zijn Belgische medevluchter. De nieuwe wereldkampioen heette Harm Ottenbros.
Het nieuws beheerste de Jan van Scorelkade. Jan Ottenbros, de broer van de kersverse wielerkampioen, deelnemer aan de Alkmaarse amateur-ronde, raakte geheel overstuur toen hem door het publiek werd toegeroepen dat zijn broer Harm wereldkampioen was geworden. In de volgende ronde hing Jan Ottenbros aan de staart van het peloton. Vreugdetranen biggelden over zijn wangen. Bij de passage van de jurywagen stak hij triomfantelijke zijn duim omhoog waarna hij de koers verliet.
Terwijl in Zolder Harm Ottenbros de hoogste trede van het ereschavot betrad en de Nederlandse driekleur werd gehesen, finishte Jos Dekker uit Enkhuizen als winnaar van de Ronde van Alkmaar. Maar Dekker was een vergeten winnaar. De enige echte triomfator die dag heette Harm Ottenbros.
Na zijn grote zege stokte de wielercarrière van Ottenbros. De regenboogtrui werd een knellend tricot. Ottenbros was niet de Bahamontes die men veronderstelde, hij scheurde een kuitspier, hij brak een pols en een raadselachtige darmblessure tastte zijn conditie aan. Ploegen vielen uiteen, sponsors trokken zich terug en de sportcarrière van Harm Ottenbros raakte in de versukkeling.
In 1976 keerde hij de wielersport teleurgesteld de rug toe. Volgens de overlevering gooide hij zijn fiets letterlijk van de Zeelandbrug in de Oosterschelde. De boetiek in vrijetijdskleding in zijn nieuwe woonplaats Ossendrecht was niet wat hij zocht. Ottenbros verhuisde naar Dordrecht en dompelde zich in een alternatief bestaan. Hij vond na enige oriënterende jaren werk in een gezinsvervangend tehuis, werd groepsleider bij verstandelijk gehandicapten, ging tekenen en beeldhouwen (Harm Ottenbros maakt prachtige sculpturen). Af en toe haalt hij de racefiets nog van stal of bezoekt hij op zijn motorfiets de koersen. Als u bij de laatst verreden Ronde van Alkmaar dan ook een geïnteresseerde, baardige toeschouwer in de Vutleeftijd heeft zien staan zou dat best Harm Ottenbros kunnen zijn geweest.
Bepakt met broodzak en ransel naar Bath
In het Regionaal Archief wordt een heel bijzonder fotoalbum bewaard. Het is in 1946 geschonken aan de gemeente Alkmaar door de Rotaryclub van het Engelse Bath en bevat foto’s van Alkmaarse bezoeken aan Bath in 1945. Het meeste indruk maken de foto’s van een groep van 48 Alkmaarse kinderen die eind 1945 een aantal maanden in Bath verbleef om aan te sterken. Een van deze foto’s is hierbij afgedrukt. We zien de groep bij het station van Bath, gereed voor hun terugkeer naar Alkmaar.
De Alkmaarse kinderen bij het station in Bath, gereed voor hun terugkeer naar Alkmaar
Het verblijf van de kinderen in Engeland werd geregeld door de Rotaryclub uit Bath in samenwerking met een vrouwenorganisatie aldaar. In augustus 1945 hadden drie leden van de Rotaryclub ter gelegenheid van Koninginnedag een bezoek gebracht aan Alkmaar en daar gezien dat de Alkmaarse kinderen er niet erg florissant uitzagen. Ze waren ondervoed en schamel gekleed. Vele kinderen hadden geen fatsoenlijke schoenen, en hun kleren waren versleten of pasten niet. Deze ervaring vormde de aanleiding om een groep Alkmaarse kinderen naar Bath te laten komen. De kinderen vertrokken in september uit Alkmaar. Hun eerste Engelse verblijfplaats was een kamp in de buurt van Londen. Na er zes weken te hebben verbleven, verhuisden ze half december naar Bath. Bepakt met ransel en broodzak, geschonken door het Amerikaanse Rode Kruis, en elk voorzien van een label met hun naam erop, moesten ze in een schoolgebouw wachten op de komst van tijdelijke pleegouders, bij wie ze zouden worden ondergebracht. De meeste kinderfoto’s in het album zijn toen gemaakt. Een van de jongens, Piet Blok, moest huilen. Toen zijn naam werd afgeroepen, kwamen er geen Engelse pleegouders opdraven. Maar een zekere mr. Scott ontfermde zich over hem. Even later zien we Piet weer lachen. De hele scène, die we kennen uit een krantenbericht, is in het album vastgelegd. Na twee maanden verblijf in Bath, vertrokken de kinderen begin februari weer naar Alkmaar. Een van hen, Jan de Boer, nam een pond verse worsten mee voor zijn ouders. Voor de kinderen was het Engelse verblijf een geweldig avontuur, zoals bleek uit de herinneringen van twee van hen, Roel Heilijgers en Tini Damstee, die onlangs in deze krant zijn afgedrukt.
Het bezoek van de Alkmaarse kinderen vormde het begin van vele uitwisselingen tussen Alkmaar en Bath. Vorig jaar werd gevierd dat de band tussen Alkmaar en Bath 60 jaar bestaat. Op het programma stond onder meer een bezoek van de Bath-kinderen van 1945 aan hun pleeggezinnen.
Alkmaarse Dominicuskerk gesloopt
Waar nu winkelcentrum Domus is te vinden, stond tot 1985 een grote neogotische kruisbasiliek. Veel Alkmaarders zullen nog herinneringen hebben aan de kerk en aan de sloop ervan in 1985. Op de foto is sloper Boy Limmen met zijn mannen in de weer met de zojuist neergehaalde torenspits. Op de achtergrond zien we de resten van het kerkgebouw.
Sloper Boy Limmen is met zijn mannen in de weer met de zojuist neergehaalde torenspits van de Dominicuskerk
De Dominicuskerk werd gebouwd in de jaren 1863-1866 door de bekende architect P.J.H. Cuypers, die ook het Rijksmuseum en het Amsterdamse Centraal Station ontwierp. Het was een zogenaamde kruisbasiliek met als meest kenmerkend onderdeel de forse toren die duidelijk de bedoeling had de Grote Kerk naar de kroon te steken. De toren vormde meer dan een eeuw lang een markant onderdeel van het silhouet van Alkmaar. De kerk was kunsthistorisch gezien van groot belang omdat het een van de weinige bewaard gebleven bouwwerken was uit de vroege periode van Cuypers’ optreden als architect. Bovendien was ook het interieur nog redelijk compleet.
Het kerkbestuur besloot in 1972 om de Dominicuskerk te sluiten. Het aantal kerkgangers in de binnenstad liep terug. Het onderhoud van de toenmalige twee binnenstadskerken (de Dominicus aan de Laat en de St. Laurentius aan het Verdronkenoord) werd te duur. Het kerkbestuur koos voor het behoud van de St. Laurentius, die er bouwkundig gezien het best aan toe was. Op kunsthistorische waarde werd minder gelet. In 1974 werd de Dominicuskerk gesloten voor de eredienst.
Jarenlang bleef het lot van de Dominicuskerk ongewis. Het kerkbestuur vroeg in 1975 een sloopvergunning aan. Inmiddels was de kerk op de lijst van voorlopige Rijksmonumenten geplaatst. Het ministerie van CRM en de gemeente Alkmaar wilden de kerk graag behouden. Het ministerie had de kerk op de monumentenlijst geplaatst met als voorwaarde dat er binnen een aantal jaren een levensvatbaar plan zou komen voor de exploitatie van het gebouw. De Alkmaarse Culturele Raad en later de Stichting Stadsherstel slaagden er niet om een dergelijk plan te maken. De gemeente wilde de kerk wel behouden, maar was aan de andere kant niet bereid er zelf geld in te steken. Het gevolg was dat de kerk in 1980 na een door het kerkbestuur ingestelde beroepsprocedure, van de monumentenlijst werd afgevoerd. Projectontwikkelaar Joris Honig kwam daarop met het plan voor een winkelcentrum op de plek van de Dominicuskerk. Een laatste poging om de sloop te verhinderen werd gedaan door Bart Jansen onder het motto: ‘Alkmaar, redt uw kerk, uw monument’. Maar ook zijn ‘Stichting tot Behoud van de Dominicuskerk’ kon het tij niet keren. In 1985 werd de kerk gesloopt. De sloper sprak de wijze woorden: ‘Er worden leuke dingen gebouwd en er worden leuke dingen afgebroken’. In de krant werd een vrouw geciteerd die zei: ‘Ach, misschien komen er wel mooie winkels voor in de plaats’.
Protest tegen annexatie
Het zal niet vaak zijn voorgekomen dat de plattelandsvrouwen uit Koedijk met spandoeken de openbare weg opgingen. Op 31 januari 1969 kwam het er dan toch van. Samen met vele andere inwoners van de dorpen Koedijk, Sint Pancras en Oudorp stonden de vrouwen kleumend achter hun spandoeken te wachten op een delegatie van Tweede Kamerleden. De inwoners wilden duidelijk maken dat ze niet akkoord gingen met het plan om hun gemeenten te laten annexeren door Alkmaar.
Plattelandsvrouwen uit Koedijk protesteren tegen de Alkmaarse annexatieplannen
De Kamerleden, die na een "hearing" in Bergen met een bus door het gebied reden, waren onder de indruk van het massale protest. Vooral in Sint Pancras was de opkomst erg groot. Actievoerder Piet Vroegop, bijgenaamd "de generaal" wist de bevolking massaal mee te krijgen in zijn verzet tegen het annexatieplan. "Wij willen ons mooie platteland niet bedorven zien door betonnen konijnenhokken" was zijn leus.
In 1960 stond al in het provinciale streekplan dat de groei van Alkmaar met name zou moeten plaatsvinden op het gebied van de gemeenten Koedijk, Sint Pancras en Oudorp ten noorden van de stad. Alkmaar wilde graag uitbreiden. De burgemeesters Wytema en later De Wit waren voorstander van een flinke uitbreiding van Alkmaar, dat door de provincie was aangewezen als groeikern. In 1971 zag een provinciale commissie Alkmaar groeien tot 120.000 inwoners. In de agglomeratie Alkmaar voorzag men zelfs een inwoneraantal van 250.000. Ook de aanleg van een nieuw industriegebied, te vestigen op de Westbeverkoog, en een omleiding van het Noordhollands Kanaal door het Geestmerambacht, maakten deel uit van de plannen.
In 1963 vroeg Alkmaar om een wijziging van de gemeentegrenzen. Alkmaar wilde uitbreiden met het grondgebied van de gemeenten Oudorp, Koedijk en Sint Pancras. Volgens Alkmaar was het geen optie om de bouwplannen in samenwerking met de buurgemeenten te realiseren. Vandaar dat er om annexatie werd gevraagd.
Het zal duidelijk zijn dat er niet veel begrip was voor het Alkmaarse standpunt bij de op te heffen gemeenten en hun inwoners. Ze voelden er weinig voor om buitenwijken van Alkmaar te worden. En dan al die nieuwbouw vlak voor je deur! Een jongetje uit Sint Pancras verwoordde het ongenoegen tegen een journalist dan ook als volgt: "Dan gaat de ijsbaan weg en komen er allemaal flatten. En de sloten gaan dicht en dan kun je niet eens meer lekker vissen. Dat is toch niks!".
Om de plannen tegen te houden werd van alles bedacht. Zo lanceerde men het idee om een grote plattelandsgemeente te vormen ten noorden van Alkmaar onder de naam Vrone of Geestmerambacht. Die nieuwe gemeente zou beter opgewassen zijn tegen de Alkmaarse plannen.
Zoals velen al hadden voorzien, trok Alkmaar uiteindelijk aan het langste eind. In oktober 1972 werden Koedijk en Oudorp opgeheven. Sint Pancras, dat zich fel tegen opheffing had verzet, bleef voorlopig zelfstandig, maar het moest wel een groot deel van zijn grondgebied inleveren. Het massale protest van 31 januari 1969 was toch niet helemaal voor niets geweest. In 1990 ging Sint Pancras overigens alsnog voor de bijl. Het werd een onderdeel van de gemeente Langedijk.
Motorraces in het Alkmaarse Sportpark
Achter het gemeentelijk Sportpark met haar monumentale tribune schuilt een rijke historie.
De eivormige renbaan rondom het voetbalveld vormde jarenlang het strijdtoneel van harddraverijen, motorraces en wielerwedstrijden. Het complex was decennia lang de thuisbasis van de voetbalclubs Alcmaria Victrix en Jong Holland en van de atletiekvereniging Olympus. Het sportpark was tevens de plek waar de eerste wedstrijd in de geschiedenis van het betaalde voetbal tussen Alkmaar ’54 en VVV werd gespeeld.
Sinds de opening op 13 mei 1920 in tegenwoordigheid van burgemeester Wendelaar ontwikkelde het sportpark zich tot het walhalla van actieve sporters en andere sportliefhebbers. Het sportcomplex kende een staantribune, een renstal met 34 boxen, buffetten, was- en kleedgelegenheid met warm en koud stromend water, een rijwielstalling en tennisbanen. Aanvankelijk leek het sportpark vooral voor de paardensport bestemd, maar gaandeweg werden er alle mogelijke takken van sport bedreven.
Tien jaar na de opening kreeg het sportpark een nieuwe overdekte zit- en staantribune die ruimte bood aan 2200 personen. De tribune was een ontwerp van de in Alkmaar geboren en getogen architect Jan Wils (1891-1972), bouwer van kerken, scholen, huizen en gehele stadskwartieren maar bovenal de bouwmeester van het hoofdstedelijke Olympisch Stadion (1928) . De bouw van de Wilstribune werd gegund aan de firma Duinmeijer voor de somma van 60.000 gulden. De verbeterde accommodatie zou het bezoekersaantal aanmerkelijk ten goede komen.
De paardenrenwedstrijden trokken duizenden toeschouwers maar ook de populaire motorraces konden op een groot publiek rekenen. De organisatie van de motorraces waarvan de eerste op 17 mei 1921 werd verreden lag in handen van de plaatselijke VVV. De VVV poogde hiermee het vreemdelingenverkeer in de stad te bevorderen. De motorraces werden op gras verreden. Daar kwam na de oorlog verandering in. Door het geweld van paardenhoeven en slippende motorbanden veranderde de grasbaan maar al te vaak in een modderpoel. De grasbaan werd in 1947 vervangen door een 660 meter lange en 9 meter brede sintelbaan. Met puin, hoogovenslakken, grove sintels en een toplaag van teelaarde, fijne sintels en poederklei legde de firma De Moel en Hermes een baan aan die voor velerlei doeleinden geschikt was.
Op 10 mei 1947 waagden de motorcoureurs zich op de sintelbaan. De 8.000 bezoekers zagen een sterk bezet deelnemersveld, stijlvolle coureurs, snelle machines, demonstraties van fabelachtige bochtentechniek en daverende duels op het scherp van de snede. De nieuwe sintelbaan bleek zich uitstekend te houden. De grasbaan zou binnen een kwartier aan pulver zijn gereden. De parmantige winnaar Van Aartsen schetste de sintelbaan als de mooiste en snelste baan van Nederland. Hij bereikte in de klasse langebaan senioren 500 cc een gemiddelde snelheid van 90 km per uur.
Motorrace in het Alkmaarse Sportpark in de jaren vijftig
Op de foto hierboven zien we een opname uit de jaren vijftig van het motorzijspanracen 500 cc op de sintels van het gemeentelijk Sportpark. De zijspanpassagier moet acrobatische toeren uithalen om de machine snel en gestroomlijnd door de bochten te loodsen. Op de voorgrond een zijspan van het merk Eysink � het beroemdste Nederlandse motorfietsenmerk aller tijden. Tezamen met de motorkledij, de racebrillen, de pothelmen en de hoeden en petten van de mannen op de tribune biedt de foto een fantastisch tijdsbeeld van de naoorlogse jaren.
De Alkmaarders zaten op tonnetjes
"Je bent als de dood dat hij morst". Aan het woord is mevrouw Sman uit de Alkmaarse Spoorbuurt, die in 1975 haar hart luchtte bij een journalist. Zij behoorde tot een van de 30 Alkmaarse huishoudens die hun behoefte nog moesten doen op een gemeentelijke ton. Het betrof meest oude huurhuizen die op de nominatie stonden om afgebroken te worden en waar de huurbazen de investering in een modern toilet niet de moeite waard vonden. Twee keer in de week kwam een gemeentelijke "tonnenman" langs om de volle ton om te ruilen voor een lege. Aanvankelijk waren de tonnetjes van hout, later van ijzer. Het transport ging dwars door het huis. En altijd was er die angst voor lekkage. De ton stond in een huisje in de tuin. Het zitten er op vond mevrouw Sman niet zo’n bezwaar, al was het wel wat koud in de winter. Nee, hinderlijker was het te snel volraken van de ton. Naarmate haar kinderen groter werden, kwam er ook steeds meer in. "We zijn van beroerdigheid wel eens de stad ingegaan. Gingen we ergens een patatje halen om maar op een toilet te kunnen. Nou, dat is toch te grijs niet?" Haar man gooide de ton wel eens leeg in een gat in de tuin. Naar een verjaardag zag ze niet echt uit: "Eén ton voor dertig mensen! Dan gingen de mannen in de tuin en mochten alleen de vrouwen op de ton".
Tonnenophalers in 1954 op de Ramen in Alkmaar
Het tonnenstelsel heeft het lang volgehouden. Ingevoerd werd het in 1883. Daarvoor loosde men de poep en de pies in de grachten of in een eigen beerput. Werd het tonnenstelsel aanvankelijk bejubeld als het toppunt van hygiëne, met de opkomst van de waterspoeling na de Tweede Wereldoorlog begon men er al snel genoeg van te krijgen. Niet voor niets noemde men in Amsterdam de wagens waarmee de tonnen werden opgehaald naar een bekend merk eau de cologne "Boldootwagens". In Alkmaar gebeurde het vervoer van de tonnen vanouds met handwagens, die de tonnetjes vervoerden naar een gracht. Vandaar werd de onwelriekende lading per vlet vervoerd naar het Zeglis, waar de gemeentereiniging lange tijd was gevestigd.
In de vroege morgenuren voer de "vloot van Grootegoed" (genaamd naar de toenmalige directeur van de reinigingsdienst) via het Noordhollands Kanaal de verschillende grachten binnen. In de avond rond 6 uur werd de terugtocht aanvaard, iedere vlet beladen met volle tonnen. Aan het Zeglis bezat de gemeentereiniging een eigen haventje. De tonnen werden er geleegd in grote beerkuilen. Vanaf midden jaren vijftig werden alle tonnen per auto gebracht en gehaald.
De tonnenophalers zagen er indrukwekkend uit met hun leren schorten. De enkele keer dat ze in de krant geïnterviewd werden, bleken ze best tevreden met hun beroep. Er was zelfs een ex-tonnenophaler die meende dat hij dankzij de vele bacteriën waarmee hij door zijn beroep in contact was gekomen, immuun was geworden voor allerlei ziekten. Toch vond hij het niet erg dat het tonnenstelsel aan het verdwijnen was: "Toen steeds meer mensen van de ton afraakten, deden ze er minachtend over. Daarom ben ik blij dat ik er van af ben. Voor mezelf en voor de kinderen, die er op school mee gepest werden".
Het duurde overigens nog wel even voordat de tonnen helemaal uit het Alkmaarse straatbeeld verdwenen. De gemeente moest eerst flink investeren in rioleringen. In 1956 waren er nog 3100 tonnen in gebruik. In de jaren er na nam het aantal snel af. In de jaren zeventig waren er al bijna geen tonnen meer. Maar pas op 2 februari 1983 werd de laatste ton buiten bedrijf gesteld. Misschien is er zelfs nu nog in Alkmaar her en der een tonnetje te vinden, maar dan in gebruik als plantenbak?
Voordrachtskunstenaar Kees Stet
Kees Stet - wiens echte naam Pieter Kroon was - werd op 9 juni 1900 aan de Middenweg te Heerhugowaard geboren. Hij was het vierde kind van de landbouwer/veehouder Jacob Kroon en Antje Stuy. In 1905 verhuisde de familie naar een boerderij in de Egmondermeer in de gemeente Heiloo. Vier jaar later volgde een verhuizing naar Winkel. Daar aan de voet van de Westfriese Omringdijk bracht Kees Stet zijn jeugd door. Zijn vader was er kastelein. Hij combineerde dit beroep met een baan als conducteur op de stoomtram Wognum-Schagen.
Kees Stet (links) tijdens een optreden ter gelegenheid van het 700-jarig bestaan van Alkmaar in 1954
Zoals het een aankomend artiest betaamt was de carrière van Kees Stet er een van twaalf ambachten, dertien ongelukken. Zijn ouders bepaalden dat hun zoon bakker moest worden. Hij leerde het vak bij een oom in de Langedijk en werkte als bakkersknecht bij brood- en banketbakkerij Valk aan de Houttil te Alkmaar. De jonge Stet vond het maar een "zuinig" vak. Hij verkoos een administratieve loopbaan. In het begin van de jaren twintig trad hij als administratief medewerker in dienst bij het Hoogheemraadschap Noordhollands Noorderkwartier waar hij tot aan zijn pensionering zou werken.
De semi-professionele Kees Stet begon zijn artistieke carrière op 17-jarige leeftijd als zanger van levensliedjes. Hij vulde zijn repertoire aan met originele voordrachten in het hem vertrouwde Westfriese dialect. Zo ontwikkelde zich de theaterfiguur "Kees Stet, het boertje uit Ierswoud". Hij verscheen als een enigszins ouwelijk uitziende man ten tonele met een zwart boerenpetje, een ziekenfondsbrilletje en met een rode zakdoek om de nek. In die uitdossing onderhield het publiek met grappige vertellingen over alledaagse gebeurtenissen in onvervalst Westfries. Zijn verschijning op de bühne paste geheel in de ietwat oubollige tijd van voor de oorlog waarin toneelverenigingen en revuegezelschappen triomfen vierden. Het was de tijd dat het radiotoestel de huiskamers veroverde en het luisterpubliek massaal afstemde op populaire amusementsprogramma’s als de Bonte Dinsdagavondtrein ("puft uw zorgen aan de kant"), de hoorspelen en de spelletjes in hersengymnastiek.
In de periode na de Tweede Wereldoorlog brak Kees Stet ook landelijk door. Hij beschikte over een ijzersterk repertoire. Overal in het land stonden Stet en zijn Alkmaarse Kleinkunst Ensemble op de planken. Soms trad hij op met een andere Alkmaarse artiest: André Carrell � de vader van Rudi � die als Willem Wouters van Wognum furore maakte. In de Bonte Dinsdagavondtrein was Kees Stet een graag geziene gast.
Het artiestenbestaan veroorzaakte meer dan eens irritatie bij zijn werkgever maar gaf tevens aanleiding tot hilarische taferelen. In een jubileumuitgave van het Hoogheemraadschap wordt de Westfriese cabaretier als een balorig man neergezet. Zo sloot Stet op een keer een weddenschap met een aantal collega’s. "Ik zie kans", zei Stet, "om twee sigaren van collega Half te krijgen". Niemand geloofde dat dat hem zou lukken. Half had nog nooit één sigaar weggegeven - daar was hij veel te zuinig voor. Toen zijn collega Half arriveerde stapte Stet op hem af: "Half, ik wil even twee sigaren van je lenen. Je krijgt ze gegarandeerd weer terug." Na enige aarzeling overhandigde Half zijn dagelijkse rantsoen. Kees Stet draaide één sigaar in het ene neusgat en één in het andere, boog zich voorover, stak een arm naar voren, legde de andere op zijn rug en riep: "Kijk, Half, zo doe je nou een olifant na." Stoïcijns haalde Stet de sigaren uit zijn neus, wilde ze aan Half teruggeven, maar die had er geen trek meer in. Zo won Kees Stet zijn weddenschap.
De jaren vijftig en zestig waren jaren van wederopbouw, welvaart en onrust. De onweerstaanbare opmars van de televisie ging ten koste van het bioscoop- en theaterbezoek en voor veel amusementsverenigingen viel in de jaren zeventig het doek. Zo ook voor Kees Stet en zijn befaamde ensemble.
Kees Stet overleed op 3 september 1979 op 79-jarige leeftijd in het Centraal Ziekenhuis te Alkmaar. Zijn zoon Piet Kroon trad in de voetsporen van zijn vader onder de naam Kees Stet jr.
Apies kijken in de Alkmaarder Hout
Ging u vroeger ook ‘apies kijken’ in de Hout? Als je spreekt met oudere Alkmaarders gaan meteen de ogen glinsteren bij het horen van het woord apenkooi. Ze weten zich nog als de dag van gisteren te herinneren dat ze met hun ouders eerst even een ijsje gingen halen bij ‘Bolle Jan’ aan het begin van de Prinses Julianalaan en vervolgens vertrokken naar de apenkooi even verderop naast Huize Westerlicht. De apenkooi werd in 1932 ingericht in een oude schuur van een groentenkwekerij die had moeten wijken toen Westerlicht werd gebouwd.
De apenkooi in het Alkmaarder Hout in de jaren vijftig
De nieuwe voorziening was een schot in de roos. Apen lijken nu eenmaal erg op mensen, dus het gedrag van de aapjes vermocht het publiek erg te boeien, en dat gold voor zowel jonge als ook oudere Alkmaarders. Zo kon het publiek in april 1950 maar niet wachten op het te voorschijn komen van de aapjes, die vanwege de kou, nog in hun nachtverblijf zaten: ‘De kinderen tillen elkaar op, de vingertjes gekromd in de mazen van het ijzergaas en de oude mannetjes prikken hun wandelstok in het grint om er, als op een tabouretje, op te kunnen leunen. Honderd ogen kijken naar het kleine, wat groezelige raampje in de groenhouten schotten. Dat raampje is het venster op de wereld voor de jonge aapjes erachter, die zo graag eens een kijkje zouden willen nemen bij al die mensen’.
Waar kwamen de aapjes vandaan? In juni 1957 is er in een krantenartikel sprake van een komende zending van 10 nieuwe apen, te leveren door een Groningse importeur. Uit het artikel valt op te maken dat men de apen ieder jaar in het voorjaar kocht en bij het naderen van het winterseizoen weer van de hand deed. Met die praktijk wilde men breken. Er waren nu zoveel apen aangeschaft, dat het verantwoord was om een verwarming in de apenkooi te installeren, zodat de dieren konden overwinteren. Een maand later waren de aapjes aangekomen. Ze pasten zich snel aan. In de krant viel te lezen dat ze voortdurend ‘hun menselijke handjes’ uitstaken in de hoop op iets lekkers.
Vele jaren konden de apen gemakkelijk aangeraakt worden. Je hoefde alleen maar over een laag ijzeren hek te leunen en je hand uit te steken. In 1961 vond men het onverantwoord hier nog langer mee door te gaan. In de krant lezen we dat sommige apen nogal agressief waren geweest en zelfs hun ‘bijtgrage tanden’ in kindervingers hadden gezet. Er kwam een hoog hekwerk rondom de kooi. Effectief, maar wel erg lelijk. Ook kon je de apen niet meer voeren. De attractiewaarde van de apenkooi nam hierdoor af. Laat jaren zeventig kregen de apen concurrentie van een nieuw ‘kleindierenhof’ dat bij de hertenkamp werd gevestigd. De in 1957 aangeschafte apen, voorzover nog in leven, waren inmiddels oud en traag geworden. Ze werden liefderijk verzorgd door gemeentelijk ‘pluimgraaf’ Siem Erkamp, die ook de zorg had voor de dieren in het hertenkamp. Erkamp had al in de jaren zestig voorgesteld een apenrots te bouwen met een goed verwarmd en verlicht onderkomen erbij, maar hij kreeg onvoldoende steun voor zijn plannen.
In 1980 kwam er een einde aan de apenkooi. Het onderkomen was inmiddels geheel uitgeleefd. In de winter leverde het kleine oliekacheltje in het dagverblijf te weinig warmte en bovendien zaten de dieren van vier uur in de middag tot de volgende ochtend in het donker. In 1979 stierven drie van de vijf nog aanwezige apen. De gemeente vond een investering van 130.000 gulden voor een nieuw apenverblijf te hoog. De bewonerscommissie van Huize Westerlicht stuurde nog een brief waarin op heroverweging van het besluit werd aangedrongen. ‘Denkt u zich eens in’ zo schreef secretaris Van Dam, ‘wat sluiting zou betekenen voor de honderdtallen kinderen, die op hun jaarlijkse schoolreisje een bezoek brengen aan onze goede stad en dan steeds ook naar de apenkooi komen en daar niet vandaan zijn te slaan. Wat een teleurstelling! Ook voor onze bewoners, wier gemiddelde leeftijd de 85 nadert, zou de uitvoering van uw voornemen een groot verlies betekenen, want zij verlustigen zich aan het enthousiasme van de kinderen.’ Ja, een nieuw verblijf zou geld gaan kosten, maar wat kreeg men nou gratis ‘anders dan de verwenste regen van de laatste vier maanden?’. De commissie kreeg een vriendelijke brief terug, maar er werd niet op het besluit teruggekomen.
Plannen om de laatste twee apen elders een goed onderkomen te bezorgen, kwamen niet tot uitvoering, want ook de deze dieren stierven. Het was in juli lange tijd erg koud en nat geweest, vandaar. Zo kwam er een einde aan een klein stukje dierentuin in de Alkmaarder Hout.
Brel zong voor 'dove oude taarten' in Bergen
De Franstalig Belgische chansonnier Jacques Romain Georges Brel (1929-1978) had reeds de status verworven van een wereldberoemde tekstdichter en zanger toen hij in het voorjaar van 1964 een optreden verzorgde in café-restaurant Het Huis met de Pilaren te Bergen. Het concert werd opgenomen om later dat jaar in oktober 1964 door de VPRO-televisie te worden uitgezonden. Het sfeervolle Bergense etablissement was op voorspraak van VPRO-regisseur Warner van Kampen, toentertijd in Bergen woonachtig, gekozen om de kilte van een studio te ontwijken. In dit trefpunt van kunstzinnig Bergen zou Brel zich omringd weten door dichters, schilders en andere kunstenaars. Hem was verteld dat dit selecte publiek een warme belangstelling had voor zijn repertoire en� niet onbelangrijk - de Franse taal machtig was.
Jacques Brel vlak voor zijn optreden in Bergen in gesprek met twee bewonderaars
Op zaterdagavond 30 mei 1964 stroomde het gratis toegankelijke café-restaurant snel vol. Tout Bergen aangevoerd door de dichter Adriaan Roland Holst en de schrijver/journalist Anthonie van Kampen was uitgelopen om het fenomeen Brel te kunnen aanschouwen. Het programma werd ingeleid door Brels vaste Nederlandse vertaler Ernst van Altena en niets leek een mooie avond in de weg te staan. Slechts één ding kon de avond bederven: de restauranthouder Theo Loos had bedongen dat de gasten verplicht waren een diner te nuttigen van gebraden reerug, kikkerbillen en zeetong. Tegen dit decor bracht Brel met accordeonist Jean Corti en andere vaste bandleden vijftien van zijn bekende chansons ten gehore zoals alleen Brel dat kon. Vol hartstocht en passie, flamboyant met zijn wonderlijke Don Camillo-achtige mimiek en hevig transpirerend.
Na afloop van het concert waren de rapen gaar. In onvervalst Frans (en nadien ongeëvenaard verwoord door Van Altena) uitte Brel zijn ongenoegen over het serviesgerinkel en de herrie van de dinerende bezoekers. De gevierde chansonnier voelde zich als een ordinaire kroegzanger onthaald. Hij zwoer nooit meer "in zo’n provinciale kuttent voor dove ouwe taarten" te zullen optreden. Zijn honorarium smeet hij woedend op de grond. Dat moesten "die klotenklappers van de VPRO" maar in hun achterste stoppen of schenken aan het Rode Kruis. Zijn arrangeur en chauffeur Georges "Jojo" Pasquier haastte zich om de 12.000 gulden op te rapen. Bij vertrek stopte de VPRO hem nog een aardigheidje toe: een enorme, platte kaas. Zo verliet een zwarte Citroen DS het kunstenaarsdorp met "Jojo" achter het stuur en naast zich een tierende Brel met op zijn schoot die enorme kaas. Brel kwam pas tot rust toen Ernst van Altena afscheid van hem nam met de woorden "Allors Jacques, bon fromage" in plaats van het gebruikelijke "bon voyage".
De beelden van het optreden in mei 1964 � het laatste in Nederland - werden lange tijd als verloren beschouwd, maar het complete concert van 54 minuten en 29 seconden lag 38 jaar lang onopgemerkt in het archief van het Nederlands Instituut voor Beeld en Geluid te Hilversum. Op 19 oktober 2002 zond de AVRO het optreden op de radio uit en op 20 april 2003 waren de tapes te zien bij de VPRO-televisie. Jacques Brel was toen reeds 25 jaar dood. Hij was in 1966 wegens podiummoeheid en leverproblemen met optreden gestopt. Toen in de jaren zeventig vervolgens longkanker werd geconstateerd, trok Brel zich met vriendin Maddly Bamy terug op het Frans-Polynesische Markiezeneiland Hiva Oa in de Stille Zuidzee. Op 9 oktober 1978 stierf hij, 49 jaar oud, in een ziekenhuis in de Parijse voorstad Bobigny. Jacques Brel ligt begraven op zijn geliefde eiland Hiva Oa naast de schilder Paul Gauguin.
Het optreden van Jacques Brel in Bergen is integraal te zien op de site van de VPRO: klik hier.
Evacuatie Prins Hendrikstichting
In 1942 werd een begin gemaakt met de bouw van Hitlers "Atlantikwall", een verdedigingslinie van circa 4800 kilometer langs de kusten van West-Europa. De Atlantikwall bestond uit 17 miljoen ton beton en 1,2 miljoen ton staal: een aaneenschakeling van mijnenvelden, van zwaar geschut voorziene kazematten, mitrailleursnesten, versperringen van prikkeldraad en stalen balken die schuin in de grond geplaatst werden om tanks en andere voertuigen tegen te houden. Ook onderwaterzetting van land behoorde bij dit plan. In Nederland werd de Atlantikwall gebouwd op strategische plaatsen zoals onder meer bij Den Helder en IJmuiden. Ook de kleinere plaatsen langs de kust werden opgenomen in de verdedigingslinie. In de daartoe aangewezen woonwijken werden alle huizen en gebouwen ontruimd of met de grond gelijk gemaakt. Het merendeel van de bevolking werd naar elders geëvacueerd en achterblijvers werden ingeschakeld bij het bouwen van de verdedigingswerken. Zo ook in Egmond aan Zee. In de herfst van 1942 moest de bevolking, met uitsluiting van een veertiental gezinnen, wijken voor de bouw van de Atlantikwall. De Egmonders kwamen onder meer terecht in Friesland en Groningen.
In oktober werd het bevel uitgevaardigd dat het tehuis voor bejaarde zeelieden, de Prins Hendrikstichting, ontruimd diende te worden. De bewoners zouden, met personeel, ondergebracht worden in een verlaten barakkenkamp van Joods-Nederlandse dwangarbeiders te Fochteloo in Friesland. De directeur van de stichting ging vooraf poolshoogte nemen. Hij was totaal niet ingenomen met de toegewezen verblijfplaats en wist zowel de regenten van het stichtingsbestuur als het Evacuatiebureau te Den Haag te bewegen alles in het werk te stellen om aan betere accommodatie te komen, want Fochteloo kon écht niet. Het lukte de regenten zelf voor de zeelieden onderdak te verkrijgen in het luxueuze hotel "De Bilderberg" te Oosterbeek. Haast was geboden, want het leek erop dat de Duitsers zelf ook een oogje hadden laten vallen op dit onderkomen.
De ontruimingsorder werd zeer letterlijk opgevat: het gebouw werd totaal leeggehaald, alles wat vastzat werd losgemaakt. Het complete meubilair werd meegenomen. Er kwamen diverse bussen en vrachtauto's, vier binnenschepen en een trein aan te pas om de bewoners met personeel (tesamen zo'n 150 personen), meubelen, bedden, beddegoed en alle persoonlijke eigendommen naar Oosterbeek te vervoeren. De organisatie van de verhuizing liep op rolletjes en dankzij het feit dat een week tevoren een aantal kwartiermakers naar Oosterbeek waren afgereisd, verliep ook de inhuizing op 9 december vlekkeloos. De Prins Hendrikstichting kon "voor anker". Echter, lang zou het verblijf niet duren. In april 1943 kwam bericht dat men opnieuw diende te evacueren. De groep vertrok in twee gedeelten naar Wageningen. Op 16 april konden 80 personen ondergebracht worden in hotel "De Wageningsche Berg" en op 24 april vonden circa 70 personen een plekje in hotel "Belvédère". Het zat de zeelieden uit het Egmondse niet mee, want op 20 januari 1944 werd ook hotel "De Wageningse Berg" gevorderd. Het volgende onderkomen voor deze groep werd hotel "De Wereld", eveneens in Wageningen. Pech na pech achtervolgde de groepen. Hotel "Belvédère" werd op 27 september zo hevig door het oorlogsgeweld getroffen dat deze groep gedwongen werd om bij de anderen in hotel "De Wereld" in te trekken. Met behulp van de plaatselijke middenstand werd de groep met fietsen, handwagens, bakfietsen en alles wat maar rijden kon, verhuisd. De zeelieden kregen het spaans benauwd toen twee dagen later de Duitsers de kerk pal naast hun hotel betrokken. Het Rode Kruis werd ingeroepen en nog diezelfde avond volgde een nachtelijke evacuatie, in drie gedeelten, naar het Blindeninstituut "Barthimeus" te Zeist waarbij de hele groep (zieken, invaliden, vrouwen en personeel eerst) vervoerd werd door een colonne vrachtwagens waaronder die van circus Toni Boltini. Hierna volgde acht dagen later, 8 oktober, nog een verhuizing naar Baarn. In Baarn kreeg men te maken met de ontberingen van de hongerwinter. Slechts 51 van de 150 bewoners overleefden de evacuatie en keerden na de bevrijding in 1945 terug naar Egmond aan Zee.
Van het meubilair dat in hotel "De Wereld" was achtergebleven werd de complete keukeninventaris door de bezetter naar Egmond teruggezonden. De rest was verloren gegaan: gestolen of onherstelbaar beschadigd�dacht men.
Capitulatie-onderhandelingen in hotel 'De Wereld' te Wageningen
De tafels en stoelen die op 5 mei 1945 gebruikt werden bij de capitulatie-onderhandelingen in hotel "De Wereld" blijken echter afkomstig te zijn uit de verloren gewaande inboedel van de Prins Hendrikstichting te Egmond aan Zee. Zij worden elk jaar weer te voorschijn gehaald en tentoongesteld in de week van het bevrijdingsfestival.
|